Marc en zijn tuin, interview
Jeugdschrijver Marc de Bel in zijn tuin: leven en laten leven
Liever molshopen dan een gazon zo glad als een biljartlaken
Marc de Bel, van wie zopas het nieuwe jeugdboek ‘Krieltje Kakelkont’ verscheen, heeft naast schrijven nog twee andere passies: voetballen en tuinieren. Die laatste bezigheid beoefenen hij en zijn vrouw Mie in Kruishoutem op hun eigenzinnige manier: “Een beheerste chaos als synoniem voor rijkdom.”
Je geeft geregeld lezingen in scholen. Op je website las ik dat je dan graag hebt dat er een glas biologisch-dynamisch wortelsap voor je klaar staat. Is de wortel je meest geliefkoosde groente?
“Ik ben al 35 jaar een macrobioot, dus heb ik geen meest geliefkoosde groente. Alles is namelijk yin en yang. De wortel vertegenwoordigt het yang-element, maar ik zorg er ook voor dat ik voldoende yin-dingen eet, zoals bladgroenten en fruit. Anders zou mijn evenwicht verstoord raken. Sommige mensen zullen dit misschien gezwans vinden, maar mijn vrouw en ik voelen ons daar heel goed bij. En onze kinderen en kleinkinderen ook.”
Ook gelezen op je website: je bent geboren ‘achter een heerlijk geurende seringenstruik’.
“Die grote seringenstruik bevond zich vlak voor de slaapkamer van mijn ouders in Kruishoutem, waar ik op 7 mei 1954 ter wereld ben gekomen. In mei staat zo’n seringenstruik in volle bloei. Dat is de dus allereerste geur die ik in mijn leven heb opgesnoven en die me altijd is bijgebleven. In dat opzicht ben ik trouwens niet uniek: bij veel mannen en vrouwen zorgt een bepaalde geur voor flashbacks naar hun jeugd.”
Is een bloem of plant die niet geurt, in jouw ogen een minderwaardige soort?
“Natuurlijk niet. Er bestaan geen minderwaardige planten of bloemen, net zomin als er minderwaardige mensen zijn. Groot of klein, wit of zwart, verschil moet er zijn. Leve de verscheidenheid!”
Heb je de liefde voor het tuinieren meegekregen van je ouders?
“Niet echt. Mijn ouders hadden kiekens lopen achter het atelier van mijn vader. Soms plantten ze op dat stukje grond aardappelen, maar daar hielden hun tuinieractiviteiten mee op. Bij mij ligt het gewoon in het verlengde van mijn bezig zijn met macrobiotiek: als je gezond wilt eten, kweek dan ook zelf je voedsel. Er gaan al dagelijks genoeg mensen dood omdat ons eten vol herbiciden en pesticiden zit. Daarnaast speelt er nog iets anders mee: het zaaien van je eigen groenten, er zorg voor dragen, ze oogsten en ze vervolgens bereiden, dat is pure zen. Ik ken maar weinig activiteiten die zo bevredigend zijn.”
Voor alle duidelijkheid: een macrobioot is iets anders dan een vegetariër.
“Wij eten weinig vlees, eigenlijk alleen onze zelfgekweekte kippen. Vorig jaar kochten we twee kalkoenen, met de bedoeling die op Kerstmis in de pot te doen belanden. Maar die beesten lopen er nu nog, we kregen het niet over ons hart om ze dood te doen. (lacht) Ze zullen hier oud worden, denk ik. Vroeger kweekten we ook konijnen, maar op een bepaald moment had ik er een weerzin van die te moeten slachten. Dus dat doen we ook niet meer. In feite zou iedereen die graag vlees eet, het voor zichzelf moeten slachten. Ik geef het je op een blaadje: de vleesconsumptie zou drastisch verminderen. Weet je waar ik echt verlekkerd op ben? Wild. Nu, als ik wil, kan ik elke dag een fazant of een haas schieten, want er zitten er genoeg in de tuin. Maar daar begin ik niet aan, omdat ik liever naar ze kijk. De permanente geestelijke voeding die ze me op die manier geven, is me duizend keer meer waard dan de culinaire voldoening van één maaltijd.”
Jullie wonen hier, in deze oase van rust, al sinds 1979. Hebben jullie dit huis gekocht omdat er zo’n grote tuin bij was?
“Vergis je niet: in het begin was er helemaal niet veel land. Dat huis stond op 16 are. We hebben toen een kleine moestuin aangelegd, en de rest konden onze drie zonen gebruiken als voetbalveld. Maar de afgelopen jaren hebben we – in twee keer - nog eens 48 are kunnen bij kopen. Eén van die percelen is, zoals dat hier heet, een ‘natte zak’. Voor een boer heeft dat dus geen waarde, maar voor ons des te meer. ’t Is een biotoop waar kikkers, padden, libellen, waterhoentjes en nog veel andere leuke beestjes op af komen.”
Als ik goed kan tellen, moet jij nu 64 are tuin onderhouden.
“Nuance: dat mág ik onderhouden, want ’t is voor mij een bron van veel voldoening. In de winter ben ik er eigenlijk helemaal niet mee bezig; dan schrijf ik. In de lente steek ik er 3 à 4 uren per dag in. En in de zomer misschien een half uurtje.”
Niet meer dan dat?
“Dat komt omdat ik heel tolerant ben. Kijk, ik beschouw het als een gecultiveerde wilde tuin of als een wilde gecultiveerde tuin, hoe je het ook wilt noemen. Met als uitgangspunt: hoe dichter bij het huis, hoe gecultiveerder; hoe verder van het huis, hoe wilder. Wat doe ik bijvoorbeeld in de zomer? Het stuk gras dat het dichtst bij het huis ligt, rijd ik af. Maar verderop laat ik het gras opschieten. En nóg verder is het bijna pure wildernis. De enige dingen waar ik rigoureus tegen optreed, zijn bramen, brandnetels en distels. Anders eindigt het in één grote overwoekering. Tussen haakjes: van die brandnetels maken wij brandnetelsoep. Heel aangewezen bijvoorbeeld als reinigingskuur na de winter.”
Mijn afspraak met de ratten
Wat geeft je een bijzondere voldoening in je tuin?
“Onder meer het zien van hoe iets daar enorm met z’n goesting staat. Op een kinderrommelmarkt kocht ik ooit twee potjes met evenveel bloempjes: reuzenbalsemien. Die heb ik in mijn tuin geplant en nu zijn dat kanjers van meer dan een meter hoog! Ondertussen heeft dat zaad zich verspreid, waardoor het hier vol reuzenbalsemien staat. Als het te veel en te hoog wordt, kun je het afmaaien voor de composthoop. Die reuzenbalsemien is op de koop toe ook nog eens een aantrekkingspool voor bijen, hommels en vlinders.”
Aan vogels evenmin een gebrek, merk ik.
“Die trekken we aan door elke dag eten op het terras voor ze te strooien. Een zak van 5 kg kost maar 2,50 euro en je krijgt er de hele zomer fantastische muziek voor terug! Om nog te zwijgen over het visuele genot dat ze verschaffen. Zowel beneden als boven heb ik een verrekijker, waarmee ik kan turen naar die rijke populatie: vinken, mezen, merels, lijsters, roodborstjes, kepen, duiven, kraaien... En: mollen.”
Euh?
(grinnikt) “Zonder vleugels natuurlijk. Veel mensen haten mollen, omdat ze een ravage aanrichten in hun grasperk. Maar ík hou juist van molshopen. Echt, geef mij maar een pelouse met veel molshopen, veel liever dan een gazon dat er zo glad afgeknipt bij ligt als een biljartlaken. Volgens mij moeten veel mensen zich zelfs bedwingen om niet met de stofzuiger over hun grasperk te gaan. Nog zoiets: mos. Daar heeft ook bijna iedereen een hekel aan. Terwijl ik mos super vind, net als blijkbaar de spitsmuizen en aardmuizen. Leven en laten leven, dat is mijn filosofie. Een beheerste chaos als synoniem voor rijkdom. Ik heb bijvoorbeeld al mijn hele leven iets met ratten. De duidelijke afspraak die ik met ze heb gemaakt, luidt: “Hier in de tuin mogen jullie alles, maar ’t is verboden om in huis te komen.” Dat weten ze.”
En ze respecteren die afspraak?
“Niet altijd. Maar dan moet zo’n rat daarvan wel het gevolg dragen. Ik leg geen gif, maar zet een val, die haar dood betekent.”
Je bent al jaren milieuorganisaties als Greenpeace en Velt heel genegen. Wat vind je van de moeizame verhouding tussen de groenen en de landbouwers?
“Heel jammer. Want eigenlijk is een echte boer – en dan heb ik het niet over het type ‘industriële varkenskweker’, hé – een supergroene. De grootvader van mijn vrouw proefde letterlijk de aarde van zijn grond, om te weten hoe die eraan toe was. Via de smaak die hij in de mond kreeg, wist hij welke soort bemesting er nodig was. Tja, vergelijk het met de verbondenheid van de aarde die veel primitieve natuurvolken vandaag nog altijd hebben. In Afrika is er zelfs een stam, waarvan de mannen letterlijk de grond bevruchten met hun zaad. Als ultiem vruchtbaarheidsritueel. Ik heb ook al overwogen om dat eens te doen, alleen vrees ik dat mijn buurman het een nogal vreemde aanblik zou vinden.”
Houdt de opwarming van de aarde je uit je slaap?
“Ik had alvast de documentaire van Al Gore niet nodig om tot het besef te komen dat er dringend iets moet gebeuren. We moeten de aarde opnieuw bejegenen met het nodige respect. Anders wordt het een ramp voor onze achterkleinkinderen. Zie je die nieuwe boomgaard die mijn vrouw en ik hier hebben aangelegd? Een combinatie van hoogstam- en laagstambomen. Die hoogstambomen zullen pas over 50 jaar op hun toppunt zijn. Mijn vrouw en ik zullen dat dus niet meer meemaken, maar we doen het voor onze kleinkinderen. Dat langetermijndenken geeft ons veel voldoening.”
Er waren plannen om in Oost-Vlaanderen een Boeboekspeelbos – genoemd naar de Boeboeks uit je boeken – uit te bouwen.
“De realisatie van die plannen is helaas nog niet voor morgen. Tussen droom en daad staan nog een hoop praktische bezwaren in de weg. In elk geval vind ik de huidige pretparken een te passief gebeuren: je wordt vastgesnoerd, omhoog getrokken, omgekeerd, weer naar beneden gebracht... Maar waar kunnen kinderen nog een boomhut of een kamp bouwen? In het Boeboekspeelbos zou de filosofie zijn: “Amuseer jullie! Ga en speel!” Maar: mét respect voor het geheel. Als er bijvoorbeeld ergens een kieviet zit te broeden, wordt dat stukje van het bos voor enige tijd afgesloten.”
Zou je graag in je eigen tuin begraven worden?
“Zoiets mag officieel niet. Volgens de wet mag mijn as er wél worden verstrooid. Ach, mijn kinderen moeten maar doen wat hen het best lijkt. Laat ik het gewoon erop houden: als ik doodga, wil ik vooral verrast worden. Met dubbele r.”
Interview: Manu Adriaens

